Kanker.
Ze is verbaasd. Geamuseerd bijna, gedurende dat korte, geïsoleerde moment dat vooraf gaat aan ontreddering: ik heb verloren, ik ben een met de losers. Arme papa, arme Fábio. De dokter kijkt haar scherp aan. Hij probeert te beoordelen of hij haar terug de straat op kan sturen.
Op zijn wangen zitten blossen. Hij is sexy. De combinatie van dat slungelige en intelligentie, zijn reuzenkennis van reuzengezwellen en behandelmethoden, zaken waar Louise geen benul van heeft, maken dat ze zin krijgt om hem te zoenen. Zijn zachte mond te voelen. Haar tong tegen die van hem te duwen. Ze kan dat op een manier die niet aanstootgevend is, niet hoerig. Louise ziet er niet uit als een hoer. Wie geen decolletés draagt, wie zich niet blondeert kan zich heel wat veroorloven, weet ze, moet ze geweten hebben. Ze wil langs zijn bureau lopen en hem helpen opstaan. Zijn jas opstropen, haar hand in zijn kontzak duwen en hem naar zich toetrekken. Hem voelen. Het leven wil er zonder haar vandoor en moet op zijn knieën terug op zijn plaats worden gedwongen. Een man en een vrouw in een kamer, en dan nog wel zo’n kleine, zonder ook maar één toespeling op seks, dat is bijna onbehoorlijk.
Seks helpt, denkt ze. Zo gaat het meestal. Zo gaat het met Fábio. Met hem gaat het al twee jaar zo. Problemen los je beter op met zoenen dan met staren en moeizame gesprekken. Laatst had hij haar nog gevraagd: zou je langer zonder seks kunnen of langer zonder praten. En ze had geantwoord dat het een niet kan zonder het ander. Dat seks alleen lekker is met iemand die weet hoe het Italiaanse kiesstelsel in elkaar zit, die weet dat Sorbonne niet de naam is van een toetje, die bij benadering kan zeggen wat de oplage is van La Repubblica. Seks vergroot het plezier om de intelligentie. Seks benadrukt de exclusiviteit, de verbondenheid


